De Duivelse Misleiding van de Chawaaridj

Vanuit het beroemde boek ‘Tilbies Iblies’ van:

Iemaam ‘Abdoer-Rahmaan ibn ‘Alie ibn Mohammed ibn al-Djawzie

De Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) heeft gezegd:

“Er zal een volk van onder het nageslacht van deze man (Dhoel-Choeweesarah) komen die de Qor’aan zullen reciteren, maar het zal niet verder komen als hun strotten; zij zullen de religie verlaten zoals een pijl uit een boog schiet.”

Arabische bron: ‘Tilbies Iblies’ van Iemaam Ibn al-Djawzie (Pagina 101 t/m 108 Eerste druk 1420-2000 Daar al-'Aqiedah)

De eerste Chaaridjie

De eerste en ergste van de Chawaaridj was Dhoel-Choeweesarah. De Sahaabie Aboe Sa’ied al-Choedrie (radiallaahoe 'anhoe) heeft gezegd:

“Alie ibn Abie Talib stuurde wat goud dat in geverfd leer was gewikkeld vanuit Yemen naar de Boodschapper van Allaah (salallaahoe 'alayhie was sallem), en hij verdeelde het tussen vier personen: Zaid al-Khail, al-Aqra’ ibn Haabis, ‘Uyainah ibn Hisn en ‘Alqamah ibn ‘Ulaathah.

Een aantal van zijn metgezellen en de Ansaar e.a. voelde daar iets tegen, waarop de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) zei:


“Vertrouwen jullie mij niet, terwijl ik de vertrouweling ben van Degene die in (boven) de hemel is? Informatie komt tot mij van de hemelen in de ochtend en in de avond.”

Vervolgens stond er een man op met ingezonken ogen, hoge jukbeenderen, een uitpuilende voorhoofd, een dikke baard, omgeslagen lendendoek en een geschoren hoofd en zei:

“Vrees Allaah, Boodschapper van Allaah!”

De Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) hief zijn hoofd op naar hem toe en zei:

“Wee u! Ben ik niet de rechtvaardigste van de mensen die Allaah moeten vrezen?”

De man liep vervolgens weg, en Chaalid (ibn al-Walied) zei:

“O Boodschapper van Allaah, zal ik zijn hoofd eraf slaan?”

Maar de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) zei:

“Misschien onderhoudt hij het gebed.”

Waarop Chaalid zei:

“Wellicht zegt iemand die gebeden onderhoudt iets met zijn tong maar heeft het niet in zijn hart.”

Maar de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) zei:


“Ik ben niet opgedragen om de harten van mensen te doorboren noch om hun buiken open te snijden.”

Vervolgens keek hij naar de man die weg aan het lopen was en zei:

“Er zal een volk van onder het nageslacht van deze man komen die de Qor’aan zullen reciteren, maar het zal niet verder komen als hun strotten; zij zullen uit hun religie schieten zoals een pijl uit de boog schiet.”
(Overgeleverd door al-Boechaarie en Moeslim)

De schrijver zegt hier: Deze man werd Dhoel-Choeweesarah at-Tamiemie genoemd, in een andere overlevering staat: dat hij zei: “Wees eerlijk!” Waarop hij (de Profeet) zei:Wees gewaarschuwd, wie zal er eerlijk zijn als ik dat niet ben?”
(Overgeleverd door al-Boechaarie: 3610-3138-6163-6933 en Moslim 1063.)

En hij wordt als de eerste Chaaridjie beschouwd die opkwam in de Islaam. De wortel van zijn ziekte is dat hij zijn eigen mening verkoos boven die van de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem). Als hij had gewacht totdat hij zou horen wat de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) te zeggen had, dan had hij zich gerealiseerd dat geen enkele mening voorrang heeft boven die van de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem). En, het waren de volgelingen van deze man die later de wapens opnamen tegen de Chalief ‘Alie ibn Abie Taalib –Moge Allaah zijn gezicht begunstigen.

De eerste verschijning van de Chawaaridj als sekte


Toen de strijd tussen Moe’aawiyah en ‘Alie voortduurde. Hieven Moe’aawiyah’s volgelingen kopieën van de Qor’aan op die aan het einde van hun speren waren geknoopt en nodigden ‘Alie’s volgelingen uit tot arbitrage gebaseerd (op de Qor’aan). Zij stelden voor dat een man van elke zijde elkaar ontmoeten en tot een oplossing komen gebaseerd op de Qor’aan. Beide zijden waren het er over eens om te gaan onderhandelen en Moe’aawiyah’s volgelingen stuurden ‘Amr ibn al-‘Aas om hen te vertegenwoordigen. Toen ‘Alie’s volgelingen Aboe Moesa kozen om hen te vertegenwoordigen, zei ‘Alie dat hij hem niet geschikt vond en stelde Ibn ‘Abbaas voor. Desondanks, zeiden zijn volgelingen dat zij geen familieleden van ‘Alie wilden, en stuurden daarom (alsnog) Aboe Moesaa.

Na de dood van Chalief ‘Othmaan, werd ‘Alie als vierde Chalief aangesteld in Medina in Juni 656 N.C. In december van hetzelfde jaar kwamen ‘Alie’s strijdkrachten onopzettelijk in een botsing met de strijdkrachten van de metgezelen Talhah, az-Zubair en de vrouw van de Profeet, ‘Aa’ishah. Chalief ‘Alie maakte vervolgens Koefah tot zijn hoofdstad en stuurde vervangers voor sommige provincieële gouverneurs. De mensen van Syrië verwierpen Sahl Ibn Hanief als vervanger voor Moe’aawiyah, degene die op dat moment vergelding eiste voor de dood van zijn neef ‘Othmaan, en dat was voordat hij de eed van trouw had gezworen voor ‘Alie. Moe’aawiyah beschouwde ‘Alie’s aanstelling als niet compleet aangezien de eed nog niet was afgelegd door enkele voorname Sahabaah zoals Usaamah ibn Zaid, Sa’d ibn Abie Waqqaas, Ibn ‘Umar, Zaid ibn Thaabit, etc. (Ibn Kathier, al-Bidaayah wan-Nihaayah, (Beiroet: Maktabah al-Ma’aarif Press 3e ed, 1974) vol. 7, pag.227. Anderzijds, ‘Alie was van mening dat door de heersende wanorde, de stabiliteit van de staat eerst hersteld moest worden voordat de moordenaars van ‘Othmaan gevangen konden worden. Deze verschil van mening leidde tot het treffen van hun strijdkrachten op de Sieffien-vlakte ten zuiden van ar-Raqqah op de westelijke oever van de Eufraat in Juli van het jaar 657.
[Toevoeging SP: Dit gebeurde doordat rebellen (Chawaaridj) in de beide legers over en weer (geheime) aanslagen pleegden en elk van de beide legers dacht dat de een de andere had aangevallen, vervolgens ontstond er een gevecht tussen beide legers! Zie al’Awaasim min al-Qawaasim door Ibnoel-‘Arabie en Fathoel-Baarie e.a.] Schermutselingen tussen beide zijden duurde weken en op een halfslachtige wijze, sinds geen van beide zijden ernaar verlangde om een frontale oorlog tussen moslims overhaasten. (History of the Arabs, pag. 179-180, Itmaam al-Wafaa, (Egypte: al-Maktabah at-Tajaariejah al-Koebra, ge editie, 1964) pag. 211-2 door Mohammed al-Khadarie Bek)

De arbitrage werd vervolgens uitgesteld tot de maand Ramadaan. Gedurende deze periode, werd door één van ‘Alie’s volgelingen genaamd ‘Urwah ibn Uthainah de vraag ter discussie gebracht of het überhaupt wel rechtsgeldig is dat mannen beslissingen nemen betreffende iets dat binnen Allaah’s rechtsbevoegdheid ligt, hij zei: “Laten jullie mannen beslissingen nemen in Allaah’s rechtbevoegdheid? Oordelen is alleen aan Allaah (La Hoekm illa Lillaah).”

Toen ‘Alie vervolgens zijn leger afwende van de Siffien-vlakte en Koefah binnentrok, trokken de Chawaaridj niet met hem mee, In de plaats daarvan sloegen twaalfduizend van hen hun kamp op bij het stadje Harooraa en hieven hun stemmen in samenhang en reciteerde de slogan: “Oordelen is alleen aan Allaah!” Deze gebeurtenis markeert de eerste verschijning van de Chawaaridj als sekte.

Vervolgens stelden zij Shoeaib ibn Rib’ie at-Tamiemie aan als hun Amier voor het gevecht, en ‘Abdoellaah ibn al-Kawwaa al-Yeshkorie als hun Amier voor het gebed. Deze Chawaaridj waren in eerste instantie zeer vroom en uiterst precies betreffende het uitvoeren van verschillende handelingen van aanbidding. Desondanks, hun geloof dat zij meer kennis bezaten dan de metgezel van de Profeet, ‘Alie ibn Abie Taalib, werd de basis voor een verschrikkelijke ziekte dat hen teisterde en hen af deed dwalen.


Dialoog met de Chawaaridj met het verzoek zich te rectificeren

‘Abdoellaah ibn Abbaas heeft gezegd:

“Toen de Chawaaridj zich afsplitste, kwamen ongeveer zesduizend van hen samen op een landgoed van een man en kwamen overeen dat zij in opstand moesten komen tegen ‘Alie ibn Abie taalib. Gedurende deze periode van hun bijeenkomsten, kwamen een aantal mensen bij ‘Alie ibn Abie Taalib en informeerden hem dat die groep een complot tegen hem beraamden. Desondanks, zei ‘Alie tegen zijn volgelingen dat zij zijn volgelingen niet aan moesten vallen totdat zij hem aanvielen, hetgeen zij zeker zouden doen.

Toen die dag was aangebroken kwam ik bij ‘Alie vlak voor het middag gebed (Salaat ad-Dohr) en zei tegen hem:

“O Amier al-Moe’minien, moge u (de Soennah uitvoeren door) de Salaah iets uit te stellen zodat het heetste gedeelte van de dag voorbij is gegaan, staat u mij toe om de opstandelingen te bezoeken en met hen te spreken?”

In eerste instantie antwoorde ‘Alie met dat hij vreesde voor mijn persoon, maar later stond hij het mij toe toen ik hem garandeerde dat ik onder hen bekend stond als een persoon van goed karakter die niemand kwaad zou doen. Ik ging vervolgens en trok mijn beste kleren van Yemenitische stof aan en mijn sandalen en ging hen bezoeken rond de middag.

Toen ik het kamp binnenkwam, vond ik een volk wiens vroomheid (in aanbidding) ik het gelijke ervan nog nooit gezien heb. Hun voorhoofden waren vol littekens van de veelvuldige en langdurige neerwerpingen, en hun palmen zaten vol eelt zoals de knieeën van kamelen, hun kleren waren gewassen en hun gezichten zaten vol lijnen omdat dat ze ’s nachts wakker bleven (voor handelingen van aanbidding).

Toen ik hen begroette antwoordden zij:

“Welkom Ibn ‘Abbaas, wat brengt jou hier?”

Ik antwoordde:

“Ik kom van de Moehaadjiers, de Ansaars, en de schoonzoon van de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) degenen die er bij waren tijdens openbaring van de Qor’aan. En zij kennen de uitleg ervan beter als jullie.”

Enkelen van hen weigerden om met mij te discussiëren vanwege het feit dat ik een Qoeraishiet was, zeggende dat Allaah , de Grootste en Meest Glorieuze heeft gezegd:

Voorzeker, zij zijn een twistziek volk.” (Soerah az-Zoekhroef (43): 58)

Desondanks, stelden twee of drie van hen voor dat ik met hen zou spreken, dus ik zei:

“Vertel mij wat jullie hebben tegen de schoonzoon van Allaah’s Boodschapper, de Moehaadjiers, en de Ansaars, degenen die er bij geweest zijn toen de Qor’aan geopenbaard werd? Er is geen enkele van hen onder jullie, en zij kennen de uitleg van de Qor’aan beter dan jullie.”

Zij antwoorden met dat zij drie punten tegen ‘Alie hadden. Toen ik hen vroeg welke dat waren zeiden zij:

“Eén, was dat ‘Alie mannen liet oordelen in Allaah’s aangelegenheden ondanks dat Allaah, de Grootste en Meest Glorieuze heeft gezegd: Oordelen (rechtspreken) is alleen aan Allaah.” (Soerah al-An’aam (6): 57, en Soerah Yoesef (12): 40 en 67.)

Dus welke waarde hebben mannen en hun beslissingen na Allaah’s uitspraak?”

Ik zei:

“Dat is één punt, en wat nog meer?”

Zij antwoordden:

“Wat de tweede punt betreft, is het feit dat hij vocht en zijn vijanden vermoordde, maar hij nam geen krijgsgevangenen noch oorlogsbuit. Als het was omdat de vijand gelovigen waren, waarom was het dan wel toegestaan voor ons om tegen hen te vechten en hen te vermoorden maar niet om hen tot krijgsgevangenen te nemen?”

Ik zei:

“Wat is het derde punt?”

Zij antwoordden:

“Hij schrapte voor zichzelf de titel ‘Amier al-Moe’minien’ (Leider van de Gelovigen). Dus als hij niet Amier al-Moe’minien is, dan is hij voorzeker Amier al-Kaafirien (Leider van de Ongelovigen).”

Ik vroeg hen of zij nog iets anders naast deze punten hadden, en zij antwoordden dat deze voldoende waren. Ik zei vervolgens tegen hen:

“Wat jullie uitspraak betreft over mannen die oordelen in Allaah’s aangelegeheden, dan zal ik voor jullie iets reciteren vanuit Allaah’s boek dat jullie uitspraak zal weerleggen. Maar als ik dit doe, zullen jullie dan terugkomen van jullie standpunt?”

Toen zij antwoordden dat zij dit zouden doen, zei ik:

“Voorwaar, Allaah heeft een gedeelte van Zijn oordeel aan mannen overgelaten waarvan de waarde slechts vier dirhams is, de prijs van een konijn, in het Vers:

O Gelovigen, dood geen wild wanneer je in een staat van Ihraam (pelgrims kledij) bent. Als iemand van jullie dit met opzet doet, dan is de compensatie hiervoor het offeren van een tam dier dat vergelijkbaar is, in de buurt van de Ka’bah in overeenstemming met de beslissing van twee rechtvaardige mannen van onder jullie.” (Soerah al-Maa’idah (5): 95.)

Tevens, liet Hij aan mannen een gedeelte van Zijn oordeel over betreffende een vrouw en haar echtgenoot in het Vers:

“Als je onenigheid tussen hen vreest, stel dan een rechter aan vanonder zijn familie en één van haar om te arbitreren. Als zij verzoening wensen, dan zal Allaah het tot stand laten komen tussen hen. Want voorwaar, Allaah is Alwetend, wiens deskundigheid geen grenzen kent.” (Soerah an-Nisaa (4): 35.)

Ik smeek u, bij Allaah! Is het oordeel van mannen om tot verzoening te kunnen komen betreffende hetgeen dat tussen hen is, en het proberen te voorkomen bloed te vergieten niet voortreffelijker dan het oordeel van mannen betreffende een konijn en een vrouw (haar familie plicht en recht) of niet? Welke van hen is belangrijker?”

Toen zij antwoordden dat het de arbitrage was, vroeg ik hen of zij hun protest jegens ‘Alie’s toestemming tot arbitrage in zouden trekken, en zij stemden toe. Ik zei:

“Wat jullie uitspraak betreft, betreffende ‘Alie’s vechten zonder krijgsgevangenen te nemen noch oorlogsbuit te nemen, dan betekent dit dat jullie, jullie moeder, ‘Aa’ishah (radiallaahoe ‘anhaa) als krijgsgevangene zouden hebben genomen. En bij Allaah, als jullie zeggen dat zij niet jullie moeder is, dan zijn jullie buiten de Islaam getreden, en bij Allaah, als jullie zeggen dat jullie haar als krijgsgevangene hadden genomen en had toegestaan wat in andere gevallen ook toegestaan was geweest (bedoelende gemeenschap met hen hebben na verdeling van de oorlogsbuit), dan waren jullie buiten de Islaam getreden. Jullie zitten vast tussen twee grote overtredingen, want Allaah, de Grootste en Meest Glorieuze zegt:

De Profeet is dierbaarder voor de Gelovigen als hun eigen persoon en zijn vrouwen zijn hun moeders.” (Soerah al-Ahzaab (33): 6.)

Ik vroeg hen vervolgens of zij hun protest jegens ‘Alie’s weigering om zijn verslagen Moslim tegenstanders als krijgsgevangene te nemen in zouden trekken, en zij stemden toe.”

Vervolgens zei ik:

“Wat jullie uitspraak betreft, betreffende zijn schrappen van de titel “Amier al-Moe’minien”, dan zal ik jullie een vergelijkbaar voorbeeld geven van iemand waar jullie tevreden mee zijn. Op de dag van Hudaybieyah kwam de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) een wapenstilstand overeen met de ongelovigen die vertegenwoordigd werden door Aboe Soefyaan Ibn Harb en Soehail ibn ‘Amr. Hij zei tegen ‘Alie dat hij dit op moest schrijven voor hen, dus ‘Alie schreef: “Dit zijn de voorwaarden voor vrede waarmee Mohammed, de Boodschapper van Allaah, mee instemt.” Maar de ongelovigen protesteerden zeggende: “Bij Allaah, wij kennen u niet alszijnde een boodschaper van Allaah, want als wij u zo zouden kennen, dan hadden wij u niet bevochten.” De Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) zei toen: “O Allaah, U weet dat ik de Boodschapper ben van Allaah! Schrap het, O ‘Alie, en schrijf: “Dit zijn de voorwaarden voor vrede waarmee Mohammed ibn ‘Abdillaah, mee instemt.” Bij Allaah, voorzeker Allaah’s Boodschapper (salallaahoe 'alayhie was sallem) is beter dan ‘Alie, en hij schrapte een titel voor zichzelf.”

Bijna tweeduizend van de Chawaaridj trokken hun standpunten in en voegden zich weer bij ‘Alie’s strijdkrachten, terwijl de rest van hen (alsnog) in opstand kwamen en gedood werden.” [Overgeleverd door Ahmed op gezag van ‘Abdoellaah ibn Shaddaad]


De agressie en opstandigheid van de Chawaaridj jegens de moslims en hun gezaghebbers, tegenover hun ogenschijnlijke vroomheid

De Sahaabie Jundub al-Azdie heeft gezegd:

“Wij marcheerden tezamen met ‘Alie ibn Abie Taalib tegen de Chawaaridj en wij bereikte hun kampement. Tot onze verbazing hoorde wij een luid gebrom (zoals het brommen van bijen) dat ontstond door hun reciteren van de Qor’aan. [Overgeleverd door al-Chatieb in zijn Taariech (7/249).]

De schrijver zegt: Het is tevens overgeleverd dat toen ‘Alie instemde met de arbitrage, twee Chaaridjieten genaamd Zar’ah ibn al-Burj at-Taa’ie en Hurqoes ibn Zoebair as-Sa’die hem kwamen bezoeken en zeiden:

“Oordelen is alleen aan Allaah.”

‘Alie antwoordde:

“Oordelen is alleen aan Allaah.”

Dus Hurqoes zei tegen hem:

“Toon berouw voor je zonde en trek je beslissing terug waarin je menselijke arbitrage goedkeurt. Leid ons daarna voort om te vechten tegen onze vijanden totdat wij onze Heer ontmoeten. Als je menselijke arbitrage in de rechtsbevoegdheid van Allaah’s boek niet opgeeft, dan voorzeker zal ik je bevechten omwille van Allaah’s tevredenheid.”

De Chaaridjieten kwamen samen op het landgoed van ‘Abdoellaah ibn Wahb ar-Raasie, die hen toesprak nadat hij Allaah bedankte en prees, zeggende:

“Het is niet toepasselijk voor een volk dat gelooft in de Meest Barmhartige en zichzelf verbindt met het oordeel van de Qor’aan, dat dit leven, wiens liefde alleen ellende produceert, dierbaarder wordt gemaakt dan het gebieden van het goede, het verbieden van het slechte, en het spreken van de waarheid; dus sluit je bij ons aan in onze opstand.”

‘Alie ibn Abie Taalib –Moge Allaah zijn gezicht begunstigen- schreef naar hen:

“Voorwaar, deze twee mannen degene wie wij als rechters hebben aangesteld zijn tegenstrijdig geweest aan Allaah’s boek en hebben hun begeerte gevolgd en wij blijven dan ook op ons oorspronkelijke standpunt.”

Zij schreven hem terug:

“Voorwaar jij bent niet boos omwille van jouw Heer, maar alleen omwille van jezelf. Hoe dan ook, als je getuigt voor je eigen ongeloof en berouw toont, dan zullen wij de onenigheid tussen ons opnieuw overwegen, zo niet, dan maken wij geen onderscheid en zullen wij je zeker tegengaan zonder vrede.”

De Chaaridjieten kwamen gedurende hun mars ‘Abdoellaah ibn Khabbaab tegen waarop zij hem vroegen of hij nog enige overleveringen had van zijn vader betreffende de Profeet (salallaahoe 'alayhie was sallem) die hij hen over kon leveren.

Hij antwoordde dat hij dat wel had en zei:
“Ik hoorde van mijn vader dat Allaah’s Boodschapper (salallaahoe 'alayhie was sallem) het over een tijd van fietnah had, waarin degene die hierin zit beter is als degene die erin staat, en degene die erin staat is beter als degene die erin loopt, en degene die erin loopt is beter als degene die erin rent. En hij (salallaahoe 'alayhie was sallem) zei: “Als je rond die tijd nog leeft, wees dan een slaaf van Allaah die vermoord wordt (in de plaats van degene die anderen vermoordt).”

Zij vroegen hem toen of hij zijn vader dit echt heeft horen overleveren van Allaah’s Boodschapper en hij antwoordde dat dit zo was. Vervolgens namen ze hem mee naar de rand van een rivier en hakten zijn hoofd eraf en zijn bloed vloeide in een stroom zoals de veter van een sandaal. Daarna keerden zij zich naar zijn zwangere (vrijgezette slaven-) vrouw, en sneden haar buik open waardoor de inhoud eruit viel.

Later toen zij hun kamp hadden opgeslagen in een valei met dadelbomen in Nahrawaan, viel een dadel op de grond, en één van hen raapte het op en stopte het in zijn mond. Toen iemand hem erop wees dat hij geen recht had het te nemen zonder ervoor te betalen spuugde hij het meteen uit zijn mond. Eén van hen had zijn zwaard geslepen en begon het door de lucht te zwaaien en toen een varken van een niet-moslim langs kwam sloeg hij er op om het uit te proberen. Zijn metgezellen zeiden tegen hem dat dit een valse daad was, waarop hij de eigenaar van de varken ging zoeken en hem een bedrag gaf waar hij het mee eens was.

Toen ‘Alie een afgevaardigde stuurde naar de Chaaridjieten om de moordenaar van ‘Abdoellaah ibn Khabbaab over te dragen, zeiden zij dat zij allen hem vermoord hadden. De eis werd drie keer herhaald, en elke keer werd hetzelfde antwoord gegeven. Vervolgens beval ‘Alie zijn volgelingen hen ten strijde te trekken.

Gedurende de gevechten zeiden enkele van de Chaaridjieten tegen elkaar: “Bereid je er op voor om jouw Heer te ontmoeten en naar de Hemel te gaan.”

De moord op ‘Alie ibn Abie Taalib

Een andere groep van de Chawaaridj rebeleerden tegen ‘Alie in het volgende jaar, en er werd een leger gestuurd om de rebbelie de kop in te drukken. Hoe dan ook, gedurende deze periode, kwamen ‘Abdur-Rahmaan ibn Maldjam en zijn metgezellen bijeen om over het verlies van hun metgezellen in Nahrawaan te rouwen en hun wraak te plannen. Zij zeiden dat zij niet tevreden konden zijn met het verblijf in deze wereld na het overlijden van hun broeders degene die niet bezorgd waren of zij beschuldigd werden, of weerlegd werden, vanwege hetgeen zij deden om Allaah’s tevredenheid te zoeken. Het werd besloten dat zij hun zielen zouden verkopen aan Allaah door te gaan zoeken naar degenen wie zij beschouwden als leiders van corruptie (dwaling); zij zouden het bloed van hun broeders wreken, en de dienaren rust van hen te geven.

Mohammed ibn Sa’d leverde van zijn leraren over dat drie Chaaridjieten genaamd ‘Abdur-Rahmaan ibn Maldjam, al-Barak ibn ‘Abdillaah en ‘Amr ibn Bakr at-Tamiemie bijeenkwamen in Mekka en zworen om respectievelijk ‘Alie, Moe’aawiyah en ‘Amr ibn al-‘Aas te vermoorden, en deze dienaren rust zouden geven.

Ibn Maldjam zei: “Ik geef jullie rust van ‘Alie!” Al-Barak zei: “Ik geef jullie rust van Moe’aawieyyah!” En ‘Amr zei: “Ik geef jullie rust van ‘Amr!” En zij vertrouwden elkaar toe dat geen van hen iets over zijn metgezel zou loslaten.

Ibn Maldjam ging naar Koefah en op de afgesproken nacht toen ‘Alie zijn huis verliet om het ochtend gebed (Salaat al-Fadjr) te leiden, sloeg hij hem met een wrede klap op zijn voorhoofd tot en met zijn kruin waardoor (zijn zwaard) tot zijn hersenen penetreerde. ‘Alie schreeuwde het uit naar de mensen dat zij hem niet moesten laten ontsnappen en zij vingen hem. Oem Khultoem schreeuwde naar hem: “O vijand van Allaah, je hebt de Amier al-Moe’minien onrechtmatig vermoord,” waarop hij antwoorde: “Huil dan.” Hij vervolgde door te zeggen: “Ik heb mijn zwaard vergiftigd, maar als hij mij overleefd, dan bid ik tot Allaah dat Hij hem verbant en vernietigt.”

Dus toen ‘Alie stierf werd Ibn Maldjam naar voren gebracht om geëxecuteerd te worden, en ondanks dat ‘Abdoellaah ibn Ja’far zowel zijn beide handen als zijn beide voeten afhakte, huilde hij niet noch sprak hij. Vervolgens werden er roodgloeiende spijkers in zijn ogen gestoken, maar nog steeds huilde hij niet. In de plaats daarvan begon hij Soerah al-‘Alaq te reciteren:

“Lees in de Naam van jouw Heer die de mensheid heeft geschapen uit een klont bloed,”

tot hij haar eindigde terwijl het bloed uit zijn oogkassen vloeide. Desondanks begon hij pas te schreeuwen toen men aanstalte maakte om zijn tong eruit te rukken, en toen hem gevraagd werd waarom hij dat nu pas deed antwoordde hij: “Ik zou het verschrikkelijk vinden om in deze wereld te sterven zonder Allaah met mijn tong te gedenken.” Hij was een persoon met een bruin gekleurde huid en op zijn voorhoofd was het litteken van langdurige nederwerping in het gebed zichtbaar. Moge Allaah hem vervloeken.

De schrijver zegt: “Ik zeg”: Toen al-Hasan (ibn ‘Alie) –Moge Allaahs Tevredenheid met hem zijn- een vredesovereenkomst wou sluiten met Moe’aawiyah, rebeleerde een Chaaridjiet genaamd al-Djarraah ibn Sinaan tegen hem. Al-Djarraah zei tegen hem: “Jij hebt Shirk begaan zoals jouw vader dat ook deed.” Vervolgens stak hij hem (met een scherp voorwerp) in zijn bovenbeen. De Chawaaridj bleven rebbelie plegen tegen de Islaamitische Leiders, en zij belijden verschillende soorten overtuigingen (Madhaahib).


Voetnoot SP: De bedoeling is dat de Chawaaridj uiteindelijk in verschillende sekten zijn opgesplitst. Een aantal van deze groepen zijn: Al-Mohakamatoel-Oewlaa`, al-Azaariqah, An-Nadjdaat, As-Safriyyah, Al-‘Adjaaridah, Ath-Tha’aalibiyyah, al-Iebaadaiyyah etc. In deze tijd (anno 2004 N.C.) manifesteren de Chawaaridj zich in verschillende landen en groepen, de meest bekende onder hen zijn: al-Ichwaan al-Moeslimien, Djama’ah at-Takfier wal-Hiedjrah, Djama’atoel-Djihaad, Al-Qoetbieyyah, as-Soeroerieyyah, al-Maghraawieyyah, al-‘Ar’oerieyyah etc.

Het volgen van lusten en begeerten leidt tot afsplitsing vijandigheid

De volgelingen van Naafi’ Ibn al-Azraq (de stichter van al-Chawaaridj al-Azaariqah) zeggen: wij zijn godenaanbidders (moeshrikoen) zolang wij onszelf in een heidens land bevinden, als wij dit land verlaten dan zijn wij pas moslims. Zij beschouwden iedereen die het niet eens waren met hun meningen en degenen die grote zonden begingen als heidene, en zo ook degenen die zich niet bij hun strijdkrachten voegde en niet met hen meevochten tijdens het gevecht beschouwden zij als ongelovigen. Zij stonden het vermoorden van Moslim vrouwen en kinderen toe want zij verklaarden hen als ongelovige.

Desalniettemin, sloeg één van het volk (de Chawaaridj) genaamd Najdah ibn ‘Aamir ath-Thaqafie (De stichter van al-Chawaaridj an-Nadjdaat) een andere weg op, hij week af van enkele van Naafi’s ideeën en verbood het vloeien van Moslim bloed of het nemen van Moslim bezit. Maar hij was tevens van mening dat zondaren van onder zijn volgelingen in een andere plek dan het Hellevuur bestrafd zouden worden en dat de Hel alleen bestemd was voor degenen die het niet eens waren met zijn sektarische leerstellingen.

Ibrahiem (an-Nach’ie) heeft gezegd: “De Chawaaridj zijn een ongelovig volk, maar het is voor ons toegestaan om met hen te huwen en van hen te erfen net zoals dat toegestaan was aan het prille begin van de Islaam!”

Sommige sekten van de Chawaaridj waren van mening dat als iemand ook maar zoiets kleins als twee dubbeltjes van het bezit van een wees misbruikt dat hij/zij naar de Hel zou gaan, want Allaah, de Grootste en Meest Glorieuze heeft het Vuur beloofd voor degene die deze fout begaan.

Hier wordt Soerah an-Nisaa (4) vers 10 bedoeld: “Degenen die onrechtmatig het bezit van wezen consumeren, consumeren alleen vuur in hun buiken, en zij zullen een laaiend Vuur doen binnentreden.

De schrijver zegt: De vreemde dogma’s van de sekten van de Chawaaridj en de gedocumenteerde verslagen van hun activiteiten zijn talloos, en ik beschouw het als onnodig om dit nog verder uit te diepen aangezien de voornamelijke intentie van dit hoofdstuk was om een kijkje te nemen naar de truckjes en strategieën van Iblies.

De manier waarop hij die dwazen die hun onwetendheid toonden door hun handelingen en hun geloofsovertuigingen dat ‘Alie ibn Abie Taalib –Moge Allaah zijn gezicht begunstigen-49 en degenen met hem van onder de Moehaadjiers en Ansaar in overtreding waren maar dat zij goed zaten. Zij maakten het vloeien van bloed van kinderen toegestaan terwijl zij het verboden om een vruchten te eten zonder ervoor te betalen. Zij spanden zich enorm in, betreffende handelingen van aanbidding, bleven ‘s nacht lang in gebed staan, en zelfs toen de tong van Ibn Maldjam werd afgehakt schreeuwde hij het uit omdat hij de gelegenheid zou missen om Allaah’s Naam uit te spreken. En ondanks dit alles, maakten zij het toegestaan om ‘Alie ibn Abie Taalib –Moge Allaah zijn gezicht begunstigen-50 te vermoorden, en zij gebruikten hun zwaarden tegen de Moslims.

Ik ben niet verrast over hun zekerheid betreffende hun kennis, noch de overtuiging die ze hebben dat zij meer kennis hebben dan ‘Alie (radiallaahoe ‘anhoe), want Dhoel-Choeweesarah zei tegen de Profeet van Allaah (salallaahoe 'alayhie was sallem): “Wees rechtvaardig, want u bent oneerlijk geweest.” En zelfs Iblies kon de verrichting van dit soort schanddaden niet bedenken. Wij zoeken toevlucht bij Allaah tegen het begaan van daden van verraad!

Mohammed ibn Iebrahiem leverde over op gezag van Abie Salamah ibn ‘Abdioer- Rahmaan dat Aboe Sa’ied al-Choedrie heeft gezegd: ik hoorde de Boodschapper van Allaah zeggen:

Er zal een volk van onder de moslims zich manifesteren, en jullie zullen jullie gebeden minderwaardig achten in vergelijking met hun gebeden en jullie Vasten in vergelijking met hun vasten en jullie daden (van aanbidding) in vergelijking met hun daden, zij zullen de Qor’aan reciteren maar het zal niet verder komen als hun strotten; zij zullen uit de religie schieten zoals een pijl uit de boog schiet.”
[Sahieh al-Boechaarie 5058 en Moslim 1064 e.a.]

‘Abdoellaah ibn Abie Awfaa leverde over dat de Profeet van Allaah heeft gezegd:

De Chaaridjieten zullen de honden van de inwoners van de Hel zijn.”
[Overgeleverd door Ahmed 4/355, Ibn Maadjah 173, Ibn Abie ‘Aasim 904, Aboe Noe’aym in al-Hillieyyah 5/56... en al-Albaanie heeft hem authentiek verklaard in as-Soennah van Ibn abie ‘Aasim.]

Bron:
www.selefiepublikaties.com – De Duivelse Misleiding van de Chawaaridj

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Live duroos